|
Op de dag van onderzoek hebben ouder(s) en kind, na soms een lange reis, eerst de gelegenheid rustig “aan te komen”. Meestal gaat een psycholoog daarna met het kind aan het werk, terwijl de ouder(s) met een andere psycholoog het intake-gesprek voeren.
Daarna kunnen de ouders kiezen of ze in onze wachtruimte willen blijven of dat ze iets anders gaan doen en als het onderzoek klaar is, terugkomen. In het laatste geval is het wel wenselijk dat ze (mobiel) telefonisch bereikbaar blijven. Ouders zijn niet bij het onderzoek zelf aanwezig.
De onderzoekers zijn er op gericht het kind zoveel mogelijk op zijn gemak te stellen. Alleen als een kind zich lekker voelt, is het mogelijk een goed beeld te krijgen van wie het is en hoe het functioneert.
Meestal wordt begonnen met de intelligentietest: vanaf 6 jaar gebruiken wij meestal de WISC-III NL, voor jongere kinderen gebruiken wij doorgaans de Rakit.
De intelligentietest bestaat uit verschillende onderdelen, die steeds een beroep doen op een ander aspect van de intelligentie. De meeste onderdelen beginnen eenvoudig en worden daarna iedere keer een stukje moeilijker. Bij sommige onderdelen wordt de tijd opgenomen.
Voorbeelden van onderdelen uit de intelligentietest:
- Onvolledige tekeningen: het kind moet aanwijzen wat er ontbreekt in een tekening. Bijvoorbeeld: een tekening van een fiets waar een wiel ontbreekt.
- Informatie: er worden vragen gesteld over kennis van feiten. Bijvoorbeeld: wat is hoofdstad van Frankrijk?
- Blokpatronen: het kind moet met blokjes een voorbeeld patroon naleggen.
- Begrijpen: er worden vragen gesteld over concrete, alledaagse dingen en situaties. Bijvoorbeeld: waarom moeten kinderen naar school?
- Ideeënproductie: het kind moet zoveel mogelijk dingen in een bepaalde categorie opnoemen. Bijvoorbeeld: wat kun je allemaal opeten?
Na de intelligentietest worden, in het geval van een hoogbegaafdheidonderzoek, andere onderdelen afgenomen. Afhankelijk van de vraagstelling en de leeftijd van het kind kunnen dit één of meer persoonlijkheids-vragenlijsten zijn en/of een creativiteitstest. Meestal wordt het kind ook gevraagd één of meer tekeningen te maken. Om een beeld te krijgen van de belevingswereld van het kind, wordt ook gebruik gemaakt van spelsituaties en gesprekken. Bij jongere kinderen ligt de nadruk doorgaans meer op spelen en bij oudere kinderen meer op praten.
Tussen het onderzoek door worden er pauzes gehouden en kan er wat gegeten en gedronken worden. Wij vragen de ouders zelf iets te eten en te drinken voor het kind mee te nemen.
Een bijzondere voorbereiding op de dag is niet echt nodig. Kinderen ervaren de onderzoeksdag meestal als een leuke, stimulerende, maar intensieve dag. U kunt uw kind vertellen dat het allerlei werkjes, spelletjes en puzzels gaat doen. In beginsel is het wenselijk om zo open mogelijk te zijn tegenover uw kind over de reden van het onderzoek.
Tot slot is het belangrijk dat het kind fit is voor het onderzoek. Wanneer het kind ziek is, kan de onderzoeksdag beter uitgesteld worden, hoewel daar in bepaalde gevallen wel extra kosten aan verbonden zijn.
Vervolg:
Onze visie op begeleiding
|